dinsdag 11 augustus 2026

 

Meeslepende historische liefde voor en op zee

 

Linda Wilgus schreef voorheen enkel kortverhalen in tijdschriften en schrijft met Dochter van de zee een historische debuutroman vol folklore. De vertaling gebeurde door Monique Eggermont en Frouke van Es. 

Isabel is een jonge weduwe die drie jaar na de dood van haar man bij de Slag van Trafalgar terugkeert naar het dorp van haar jeugd. Daar dook ze als jong kind doorweekt op en werd er geadopteerd. De plaatselijke bevolking is altijd blijven geloven dat ze de dochter van de Sea Bucca is, een soort zeemeerman. Nu besluit ze haar leven hier weer vorm te geven. Langs de kust zijn smokkelaars actief en douaniers die op hen jagen. Wanneer de smokkelaars haar op een nacht om hulp vragen wanneer hun kapitein gewond raakt, voelt Isabel een heel sterke en onverklaarbare band met de gewonde man. Ze besluit de smokkelaars te helpen en raakt steeds meer bij hen betrokken. Hiermee breekt ze de wet waardoor een spannende confrontatie alleen maar een kwestie van tijd is.

In deze historische roman valt heel wat boeiends bij te leren. Zo lezen we hoezeer het belang van klasse en stand een rol speelde begin 19e eeuw in Engeland. Hoewel Isabel totaal verarmd is, willen mensen van stand met haar bevriend geraken, want er zijn niet veel mensen van hun stand en op vissers en werklieden kijken ze neer, zelfs als die meer bezitten dan Isabel. Ook de redenen voor het ontstaan van de smokkel en de grote steun die die onder de Cornische bevolking geniet, worden uitgelegd.

De positie van de vrouw is een ander boeiend thema. Regelmatig wordt het beeld van een ommuurde tuin gebruikt. Het hoeft dan niet zozeer een gouden kooi te zijn, maar zelfs een ommuurde tuin is nog steeds een gevangenis waar vrouwen beperkt worden. Zelfs als ze al het geluk hebben een echtgenoot te vinden die hen vrijheid gunt en ruimdenkend is voor zijn tijd, dan nog beperken de maatschappelijke mores een vrouw zodra ze het huis verlaat. Zo bezit een vrouw voor, noch in haar huwelijk enige vrijheid. Enkel als weduwe is ze haar eigen baas, zolang ze zich fatsoenlijk gedraagt en de grenzen niet te veel opzoekt.

Isabel is met hart en ziel aan de zee verknocht. Deze liefde wordt zeer mooi beschreven, hoe die aan haar trekt, hoe ze enkel vrij kan ademen als ze dicht bij de zee is.

‘In de donkere, lege slaapkamer fluisterden herinneringen haar toe tot ze de kleur van de zee kregen en in haar slaap vervaagden tot een nevelachtig blauwgrijs. Overdag voeren ze in het kielzog van James’ stem met haar mee.’

De vele beeldspraak rond de zee verveelt nooit, maar zal daarentegen bij de lezer krachtige beelden oproepen van die woeste natuur.

‘De oceaan roept haar, maar ze heeft geen woorden om te antwoorden.’

Over een tweegevecht schrijft de auteur dan weer mooi: ‘Hun bewegingen zijn zo snel en licht dat het lijkt alsof ze naar de wind kijkt die met een blaadje speelt. Ze weet niet wie van hen de wind is en wie het blaadje; ze zijn te veel aan elkaar gewaagd.’

Het boek is zeer vlot geschreven. In hoofdstuk twee ontmoet Isabel de smokkelaars al en er zit meteen enige vaart in het boek. Die vaart neemt toe naarmate het verhaal vordert en er verschillende twists en spannende momenten voorvallen.

Ook de personages zorgen voor aangenaam leesplezier. De lezer zal meteen meeleven met Isabel. Haar keuzes worden goed beargumenteerd en zijn daardoor geloofwaardig. Isabel is een sterke vrouw voor haar tijd en verlangt naar meer dan de tijdsgeest toestaat. Ze zoekt haar weg, wars van conventies en keurslijven. Ook de chemie met de smokkelaarskapitein is meteen sterk en geloofwaardig aanwezig. De romantiek vormt dan ook een hele mooie verhaallijn in het boek.

Het enige minpuntje is de ontknoping die iets te mooi is om waar te zijn en ietwat onrealistisch. Het magische erin stoort dan weer niet. Dat magische, mystieke element van Isabels mogelijke afstamming van een zeegeest voegt echt iets krachtigs toe aan het boek.

Tot slot siert het Linda Wilgus dat ze het verhaal niet koste wat kost een open einde wou geven om er later nog een vervolg aan te kunnen breien. Het verhaal is mooi afgerond en goed zoals het is, als een op zichzelf staand boek. De lezer zal zich in het Engeland van de 19e eeuw wanen en moeiteloos samen met Isabel en de smokkelaars avonturen beleven tijdens enkele uren heerlijk leesplezier.

woensdag 8 juli 2026

 

Beeldend, boeiend en gevoelig

 

Tara K. Menon is universitair docent aan Harvard University. Haar werk verscheen in o.m. de New York Times Book Review, Paris Review en Public Books, waar ze ook redacteur is. Met Onder water schreef ze haar debuutroman die werd genomineerd voor de Waterstones Debut Fiction Prize. De vertaling gebeurde door Bart Gravendaal en Karina van Santen.

Wanneer Marissa haar moeder verliest op 6-jarige leeftijd, verhuist ze met haar vader naar een eiland in de buurt van Phuket, Thailand. Daar raakt ze bevriend met Arielle. Beiden zijn verslingerd aan duiken en genieten dagelijks van de vele prachtige koraalriffen onder water en de manta’s en andere prachtige onderwaterdieren. Op tweede kerstdag 2004 worden ze bruut overvallen door de tsunami die hen genadeloos van elkaar scheidt.

Acht jaar later woont Marissa in New York. Ze dwaalt er rond en treurt om Arielle die ze in alles en iedereen herkent. Ondertussen bereidt de stad zich voor op orkaan Sandy.

Het verhaal springt voortdurend heen en weer tussen Thailand met kerst 2004 en New York eind oktober 2012. Zodoende wordt de vriendschap met Arielle uitgewerkt alsook de dreigende komst van de tsunami in 2004 en orkaan Sandy in 2012. De hoofdstukken in 2012 springen echter ook heel vlot naar 2004 waarmee de auteur toont hoe dwingend het verleden aanwezig is in het hoofd van Marissa.

Het boek komt traag op gang en de lezer moet even doorzetten, maar dan ontvouwt zich een roman waar de pracht van duiklocaties, mangroven, koraalriffen en regenwoud zo beeldend aanwezig is dat je het gevoel hebt dat je mee onder water zwemt met Marissa en Arielle.

‘De verfijnde oranje takken van een waaierkoraal wiegen in de stroom. Een stel poetslipvissen probeert een klant te vinden, maar andere vissen zijn niet geïnteresseerd. Matthew richt zijn camera op een blauwgespikkelde pijlstaartrog die over de zeebodem jaagt. Ik adem langzaam in en uit en kantel mijn hoofd achterover om een school snappers boven me langs te zien gaan. Arielle zwemt bij me weg om een papegaaivis over het rif te achtervolgen.’

De vele weetjes zijn verrukkelijk en zijn met veel liefde beschreven. Zo leren we dat de roodwangschildpad tot de destructiefste invasieve soorten ter wereld behoort, andere soorten verdringt, het voedsel opeet en de nestplaatsen claimt.

Het thema rouw is zeer nadrukkelijk aanwezig in het boek. Zo merkt Marissa dat haar omgeving het niet acceptabel vindt om zo lang te rouwen om iemand die ‘alleen maar’ een vriendin was en geen geliefde. Ook haar heimwee komt sterk aan bod.

‘Op het perron verkoopt een vrouw mango’s besprenkeld met limoen, chili en zout, en ik mis thuis zo erg dat ik het niet kan verdragen. (…) Ik voeg me bij de gelederen van huilende vrouwen op metroperrons.’

Het boek is prachtig als het over de natuurpracht gaat, schrijnend en ontroerend wanneer het over rouw, verlies en trauma gaat en hartverscheurend wanneer het over klimaatopwarming, stroperij of de schade van overtoerisme voor de natuur of de details van de gruwel van de tsunami en zijn directe nasleep gaat.

Tara Menon deed haar onderzoek grondig en dat merk je aan de vele details die je werkelijk het gevoel geven dat je echt daar bent. Met Onder water schreef ze een boeiend, beeldend en gevoelig boek dat na zijn trage start veel lezers zal bekoren.

zondag 5 juli 2026

 

Kwetsbaar en sprankelend relaas van pijn en verlies

 

Elisabeth Lucie Baeten is in Vlaanderen behoorlijk bekend als TV-persoonlijkheid en door de vele volgers op haar Instagramaccount. Ze neemt politici op de hak in filmpjes. Daarnaast is ze scenariste en werd ze bekend door het kinderboek En ze leefden nog en het vervolg En ze leefden nog altijd. Met Er is niks brengt ze nu een non-fictieboek uit voor volwassenen.

Baeten vertelt in dit boek over haar lange gevecht tegen een lichaam dat haar telkens opnieuw verraadt met fysieke en emotionele pijn: slokdarm-, maag- en buikpijn, extreme stress en angst, hyperventileren en paniekaanvallen, … Ze ondergaat vele operaties, ontmoet leerkrachten, dokters en specialisten waarvan sommigen haar pijn en problematiek bagatelliseren of goedmoedig bestempelen als stress die tussen je oren zit. Vol werkijver en koppigheid zet ze telkens door en neemt niet de tijd om tot rust te komen. ‘Toen was het opeens een half jaar later en had ik per ongeluk nog niet gerust.’ Tot ze crasht en hard. De psychologe vertelt haar dat ze een enorme hoeveelheid issues meebrengt en zoekt samen met haar – niet zozeer naar dé oplossing, maar toch op zijn minst naar een kader, een handvat, een label om beter te begrijpen wat er aan de hand is.

Het resultaat van dit alles is een moedig boek dat bijzonder kwetsbaar – wie spreekt nu graag over problemen met de endeldarm?- en zelfkritisch is – ‘De komende drie weken lig ik in bed om te bekomen van mijn operatie. Dat is wat ik had kunnen zeggen als ik ook maar een greintje voortschrijdend inzicht in mij had.’

Het boek geeft een inkijkje in de tekortkomingen in de gezondheidszorg, maar ook in de miserie die een mens zichzelf kan aandoen door maar lang genoeg de gezonde volwassene in zichzelf te negeren en almaar te blijven doorgaan, want de ziekte is onzichtbaar en er wachten zoveel professionele kansen. Daar waar zo’n boek zwaar zou kúnnen overkomen of klagerig, is dat hier niet het geval, want de schrijfster slaagt erin om nu eens met sarcasme, dan weer met humor voldoende lichtpuntjes te brengen in wat anders best zware materie zou kunnen zijn. ‘de buikpijn (…) heeft nogal moeite met zich in stilte bezighouden.’ Het is die knappe combinatie van kwetsbaarheid en humor die maakt dat de lezer zich kan identificeren met de auteur en het bijzonder vlot geschreven boek in één benieuwde ruk kan uitlezen.

Daarnaast valt bovenal de enorme taalvirtuositeit van Baeten op. Ze jongleert met taal alsof het niets is en legt alles zeer treffend en beeldrijk uit. Zo gaat ze ijlend van de pijn naar een fotoshoot voor haar werk. ‘Dikke middelvinger naar mijn lichaam denk ik (…) Ik ben ziek van de pijn en de pillen. Ik ril van top tot teen en onder mijn professionele make-up zit alleen grijs. Dikke middelvinger terug denkt mijn lichaam.’

Als ze het over een te lage bloeddruk heeft, klinkt dat als volgt: ‘Maar eigenlijk ging ik die zondag, twee dagen nadat mijn acht over vijf mij was komen zeggen dat het vijf over twaalf was, naar een voorleessessie…’

Of wanneer ze vertelt hoe ze al kind toneelstukjes opvoerde op familiefeesten. Nu als volwassene, faket ze vertrouwen en een vlotheid in smalltalk die ze ontbeert. ‘Er is nog niet heel veel veranderd, ik voer nog altijd toneeltjes op.’

Het toont de knappe mix tussen zelfkritiek, humor en een knappe beheersing van de taal die dit boek zo sterk maakt. Een aanrader voor wie zelf worstelt met chronische pijn, voor wie meer begrip wil krijgen voor ‘onzichtbare’ ziektes en voor iedereen die kan genieten van taalkundig sterk geschreven boeken.

 



Ambitie en liefde tegen het Italië van de jaren ‘50

 

Francesca Giannone won met haar debuutroman De brievenbezorgster van Puglia de Italiaanse Boekhandelsprijs. Met De zeepmaakster van Salento schreef ze haar tweede roman. De vertaling gebeurde door Manon Smits.  

Met trots en toewijding werken Lorenzo en Agnese dagelijks in de zeepfabriek van de familie. Dit Casa Rizzo is hun ziel en zaligheid. Beiden vinden er voldoening en dit versterkt hun reeds zeer goede band als broer en zus. Dan beslist hun vader om de zeepfabriek te verkopen. Broer en zus reageren hier na hun aanvankelijke schok totaal anders op. Daar waar Agnese zo gehecht is aan huis en fabriek dat ze beslist te blijven, is Lorenzo trots en enorm gekrenkt. Hij besluit te vertrekken en elders zijn geluk te beproeven. Met als ultieme einddoel om vroeg of laat, kost wat kost de fabriek te kunnen terugkopen. Het leidt tot een enorme breuk tussen beiden en binnen de familie. Wiens keuzes zullen geluk brengen?

Na een proloog in 1953, wordt de lezer meegenomen naar 1958 in het kleine Italiaanse kustplaatsje Araglie in Puglia. De sfeer wordt heel mooi geschilderd met de muziek van toen, een regering die op vallen staat en de politieke strubbelingen van toen en weduwen die jaren na het verlies van hun man nog steeds in het zwart gekleed gaan. Ook de rechten van vrouwen zijn nog niet wat ze nu zijn. Zo krijgt Lorenzo’s vriendin van hem het verwijt dat ze niet gecharmeerd mag zijn van het compliment van een andere man en krijgen knappe vrouwen niet mis te verstane insinuaties over hun lichaam. Daarnaast wordt ook gesproken over het feit dat het altijd de vrouwen zijn die moeten keuzes maken en daarbij zaken opgeven. Het is echter niet alsof je als lezer struikelt over de Italiaanse details van die tijd. Het stoort het tempo van het verhaal geenszins en is net voldoende om het aangenaam te kruiden.

De twee hoofdpersonages worden prima uitgewerkt. Beide komen afwisselend aan bod en de lezer leert hen goed kennen. Lorenzo is trots en ambitieus. Hij is zeer principieel en weet van geen wijken. Hij moet en zal zijn doel bereiken ongeacht de prijs die dit hem en zijn dierbaren kost. Deze ver doorgetrokken ambitie en koppigheid zou zeer onaantrekkelijk kunnen zijn, maar de schrijfster portretteert hem op zo’n manier dat de lezer blijft meeleven met hem, of die het nu met zijn keuzes eens is of niet. Agnese is liever en meegaander, zachter en milder. Toch mag ook zij niet onderschat worden. Ook zij is ambitieus op haar manier. ‘Haar ogen straalden ineens, er was een zweem van opwinding in haar stem gekropen, en zelfs haar lichaam had een andere houding aangenomen, stevig en zelfverzekerd.’

Een boeiend karakter is dat van vader Giuseppe, die hoewel slechts een randkarakter, een mooie persoonlijke groei kent doorheen het verhaal.

Het boek eindigt met een epiloog waarin je een generatie later op knappe wijze nog een aantal dingen te weten komt over sommige personages.

Het verhaal gaat over thema’s als liefde, familiebanden en ambitie. Het is soms lief en schattig, soms pijnlijk en ontroerend. De lezer zal enorm meeleven met de lotgevallen van de familie tegen een mooie achtergrond. Francesca Giannone heeft bovendien het lef om haar boek niet met een zeemzoete saus te overgieten, maar daarentegen met realisme een en ander niet goed te laten eindigen. Dat kleine tragische randje maakt het verhaal alleen maar beter.

Met dank aan Libelle voor het recensie-exemplaar.

 

zaterdag 9 mei 2026


Sterke romance, minder sterke beeldspraak

 

Met Drie zomers in een vertaling van Ireen Niessen, is Karen Swan weer aan een nieuw boek toe. De schrijfster is populair in verschillende landen en onder haar bijna dertig boeken zijn er meerdere bestsellers.

In het traditionele havenplaatsje Tricase Porto in het zonnige Puglia wacht Rafaella Parisi vol ongeduld op de jaarlijkse terugkomst van haar goede vriend Cosimo Franchetti. Zijn hertogelijke familie komt elk jaar zes weken genieten van de zomer in het plaatsje. Cosimo en zijn zus Romola zijn zeer goed bevriend met Rafaella en haar vriendin Gina. Het is zomer 1957 en de vier zijn adolescenten geworden. Er ontstaat seksuele spanning tussen Rafaella en Cosimo. Een rampzalig ongeluk die zomer verandert echter alles. Rafaella doet een gelofte met zeer verstrekkende gevolgen. De zomer erop begint het dorp stilaan de gevolgen te merken van die gelofte. In de zomer van 1961 ontmoeten Rafa en Cosi elkaar opnieuw. Kan Rafa het leven zoals ze dat nu kent de rug toekeren en alsnog kiezen voor Cosi?

Het boek is opgedeeld in een proloog, zomer 1957, zomer 1958, zomer 1961 en een epiloog.

Bij het gebruik van beeldspraak vallen negatieve en positieve zaken op te merken. Zo begint hoofdstuk drie met het beeld van het zonlicht dat duizend gouden pijlen weerkaatst. Het daaropvolgende hoofdstuk opent dan weer met muziek als zilveren pijlen. We lezen dat ‘haar naam landde als een vogel op haar schouder’ en minder dan twintig pagina’s verder dat zijn bulderende lach als een dode vogel uit de lucht viel. Toch zijn er ook minder in herhaling vallende beelden te vinden. Zo is de vergelijking van een rol satijnstof met het paard van Troje dat de losse seksuele moraal van Hollywood zou binnenbrengen in de kleine gemeenschap aan zee een grappig en knap beeld. Of ‘Cosimo trok zich terug, met grote teugen happend naar lucht terwijl de wanhoop door zijn hele torso golfde. Hij had het gevoel dat hij een onweersbui had ingeslikt.’ Soms neigt de beeldspraak te veel naar het bombastische. Zo tsjirpten de cicaden op volle sterkte ‘terwijl de schemering op een vurige triomfwagen aan kwam rijden.’ Elders zien we dan weer wel een mooi volgehouden vergelijking met een getijdenstroom, de kust en een bootje op drift, metaforisch gebruikt. En ook ‘Haar huwelijk was een maanlandschap geweest waarin de donkere kant van de maan nooit zichtbaar was geweest’ is een bijzonder mooi beeld.

De auteur slaagt erin om knappe scènes uit te werken. Zo is het gesoebat over de halslijn, de lengte van de mouwen en de lengte van de rok van een bruidsjapon met aan de ene kant de traditionele nonna’s en aan de andere kant de moderne, jonge bruid behoorlijk hilarisch. Andere scènes zijn dan weer snel en koortsig, meeslepend, zeer ontroerend of spannend met hier en daar een twist erin.

De locatie, tijdsgeest en cultuur worden knap in beeld gebracht. Zo wassen de vrouwen nog in het washuis, crushen ze ijs voor drankjes met een ijspriem uit een blok, gaan de nonna’s gekleed in zwarte kleren en werken de dorpsvrouwen maandenlang samen met man en macht aan het kantwerk voor een bruidsjurk of doopjurk. Het traditionele aspect komt nog sterk aan bod wanneer de vrouwen zoals altijd aan land blijven en de mannen uitzwaaien als die op tonijnjacht gaan. Ook het grote verschil in klasse tussen de eenvoudige vissers, groenteboer enzovoort versus de hertog en diens gezin is duidelijk. Zo verschillen de rampen die beide klassen overvallen tussen respectievelijk zwangerschappen die ze zich niet kunnen veroorloven en mislukte oogsten versus de cointreau die op is.

De schrijfster is sterk in de uitwerking van haar personages. De lezer volgt het verhaal vanuit drie perspectieven: Cosimo, Rafaella en haar jeugdvriend Fon Giannelli. Hen leren we uit eerste hand en dus het beste kennen. De andere personages worden minder diep uitgewerkt en staan eerder in dienst van de sfeergeving, hoewel we de bad guy van het verhaal toch ook redelijk leren kennen. De chemie tussen Rafaella en Cosimo is ontegenzeggelijk aanwezig. De ereprijs gaat echter naar Fon, die als bijzonder complex, meerlagig personage zonder enige twijfel het boeiendste karakter van het boek is.

Op de beeldspraak na die af en toe even uit de bocht gaat of in herhaling valt, slaagt Karen Swan erin om een prachtige romance uit te werken tegen het kader van een traditioneel Italiaans dorpje, vol geheimen, intriges en diepgaande gevoelens waardoor je volop meeleeft, mee treurt en mee geniet van alles wat ze haar lezers voorschotelt.




 

Lijvige parel vol licht en donker

 

De Franse Valérie Perrin kennen sommige lezers vast nog van Vers water voor de bloemen dat ik zelf onder zijn oorspronkelijke titel las: De bijzondere levens van Violette. Dat boek sloot ik onmiddellijk in mijn hart en blijft mijn absolute favoriet van deze auteur. Daar dicht op volgend komt echter haar nieuwe roman, Mijn tante Colette, vertaald door Ghislaine van Drunen, Annelies Kin en Nathalie Tabury.

Agnès krijgt bericht dat haar tante Colette is overleden. Dit brengt haar eerder in de war dan dat het haar verdriet doet. Haar tante stierf immers reeds drie jaar geleden. Op aandringen van de politie reist ze toch af naar Gueugnon in de Bourgogne om het lichaam te identificeren. Daar ontdekt ze een verzameling cassettebandjes die haar tante haar naliet met daarop haar levensverhaal. De onopvallende tante blijkt een verleden gehad te hebben vol geheimen.

Deze lijvige roman is opgedeeld in twee grote delen. Daarbinnen springen de korte hoofdstukken van het verleden van Colette in de jaren ‘50 en ‘60 naar het heden van Agnès in 2010, maar ook naar het verleden van Agnès. Ondanks dit voortdurend heen en weer springen, werkt deze vorm en leest deze boeiende roman vlot. De lezer moet er wel tegen kunnen dat elk antwoord een tijdlang alleen maar meer vragen oproept.  

De personages zijn pareltjes. Colette die ogenschijnlijk onopmerkelijk is, met een talent om te verdwijnen, maar wat een krachtige vrouw is zij; Agnès, eeuwig treurend om haar ex; Soudoro, de baarlijke duivel. Daarnaast zijn er nog talloze andere personages die het verhaal mooi inkleuren. Een aantal van hen bepaalt soms het vertelperspectief in de ik-vorm of in een derde persoon.

De thema’s zijn onder meer opofferingsgezindheid uit liefde in al haar vormen, maar ook het kwaad in verschillende vormen tegenover de goedheid van sommige mensen die vaak goed doen in het verborgene. Hoewel de thema’s iets meer duisternis bevatten dan in Vers water voor de bloemen, brengt de schrijfster af en toe een humoristische noot in.

‘De urn zit nog steeds als een braaf kind vast in de veiligheidsgordel.’

Wanneer Soudoro aan het woord is, verandert de stijl. Die wordt eng en spiegelt zo het obsessieve monster dat aan het woord is.

De taal van het boek is mooi en we treffen dan ook vele knappe zinnen aan.

‘Ik kreeg Ana enkele maanden nadat de film was uitgekomen. Met haar vervloog alle hoop op nog een kind. Maar wat geeft het, Ana is in haar eentje alle kinderen waarop ik heb gehoopt.’

‘Ik was de medeplichtige van mijn cipier.’

Ook de beelden zijn vaak ingenieus.

‘Zijn gegiechel klinkt als een sterrenregen die op de lange, sombere lucht wordt afgevuurd.’

‘Wist ik nog niet genoeg? Ik denk dat ik op dat moment besefte dat ik de puzzel niet meer wilde afmaken, maar hem simpelweg in een kast wilde opbergen.’

Hoewel het boek best dik is, zitten er voldoende verhaallijnen, interessante personages en twists in om de lezer geboeid te houden tot het einde. Om met een citaat uit het boek af te sluiten: ‘Als een roman geweldig is, bevat die licht, beelden, woorden en gevoelens. En de personages worden echt omdat je eraan gehecht raakt.’ En dat geldt absoluut voor deze roman.


zondag 5 april 2026

 

Literaire parel van een roadtrip

 

Eva Posthuma de Boer schreef onder meer De hand van Mustang Sally, een ijzersterke roman die Mezza boek van het Jaar werd in 2022. Omdat ik je zie is haar zevende roman. Ook dit boek werd door Mezza gekozen tot boek van de Maand maart 2026.

Lou Rijziger wordt 49 en alles zit haar tegen. Haar man woont quasi permanent in Brussel voor zijn werk, terwijl zij in Amsterdam wegkwijnt in een leeg nest want ook zoonlief is uitgevlogen en studeert nu elders. Daarbovenop is haar vader recent gestorven en is ze rond dezelfde periode ontslagen uit haar job als columnist bij de krant. Haar baas heeft haar een ondankbaar opruimklusje gegeven in het archief van necrologieën. Tegen de verwachtingen in begint Lou zich te interesseren voor het onderwerp van de necrologieën. Wanneer ze ontdekt dat de laatste necrologie waar haar vader aan schreef, verwijst naar een geheim waarvan haar vader tijdens een bezoek aan Spanje de scoop zou krijgen, besluit ze in zijn plaats naar Spanje te gaan en zijn laatste verhaal af te maken. Wat volgt is een roadtrip samen met haar kat, Broer en met het zesjarige meisje Emmy.

Het boek bestaat uit drie delen en komt iets trager op gang dan De hand van Mustang Sally – waar het trouwens een paar keer licht naar verwijst. Eenmaal op gang gekomen, is het echter vlot geschreven en vertelt het een boeiend verhaal. Thema’s zijn de zoektocht naar zingeving in de tweede helft van je leven, zeker na het ondervinden van het Lege Nest, het herevalueren van de relatie en de gedoofde spanning en sensualiteit daarin, schuld, schaamte en vergeving, maar bovenal het zoeken naar identiteit wanneer je erg jong reeds half wees wordt, want Lous mama is gestorven toen ze een klein meisje was.

Deze thema’s zouden het boek zwaar kunnen maken, ware het niet dat de auteur haar verhaal voldoende kruidt met humor.

‘De hele voorraad wijn ging eraan. Er lagen flessen tussen die Cas al jaren bewaarde voor speciale gelegenheden. (…) Cas zou me wat aandoen als hij dat lege rek zag. Gelukkig was Brussel ver.’

Of wanneer Lou denkt Ashes to ashes, dust to stress ball over het zakje as dat ze meekrijgt.

Ook de scènes waarin de kat hotels binnen wordt gesmokkeld zijn grappig.

Net zoals in De hand van Mustang Sally valt de bijzondere literaire kwaliteit van dit boek op. De schrijfster toont weerom hoezeer ze haar métier beheerst. Zo worden spiegelwanden beschreven als volgt:

‘…kordaat begaf de ober zich tussen de tafels door mijn kant op. Zowel links als rechts van hem liep hij met zichzelf mee.’

Wanneer alles goed gaat: ‘Dat kon natuurlijk niet zo blijven, lachte het lot. Maar vooralsnog hield het lot zich koest, reden we, en zat Emmy klaar voor mijn verhaal.’

Naast de vele mooie zinnen, treffen we knappe beelden aan.

Zo wil ze geen liefde op rantsoen want ‘misschien hadden de boeken de lat gelegd en legde ik liefde daarlangs.’

Ook het beeld van de toeristen die als een kudde opgejaagde stieren naar een touringcar dendert om uit de regen te geraken zie je zo voor je.

Posthuma de Boer besteedt veel aandacht aan het zorgzaam vormgeven van haar personages. Zo beschrijft de liefde waarmee Lou haar vaders spullen in zijn werkkamer observeert haar diepe genegenheid voor hem. Lou gedraagt zich niet altijd even netjes onderweg, maar dat maakt haar net zo menselijk. Ze worstelt met het feit dat haar man, Cas, haar alleen gelaten heeft toen hij zijn carrière volgde richting Brussel en haar niet meer echt ziet. Daardoor gaat ze onder meer met opzet massa’s geld uitgeven met zijn creditcard. Het maakt zowel haar als Cas echte mensen met gelaagde persoonlijkheden. Je begrijpt en vergeeft hen. Je kan met hen meeleven en je in hen inleven.

Persoonlijk blijft De hand van Mustang Sally mijn favoriete boek van Posthuma de Boer, maar dit boek zit het kort op de hielen. De literaire kwaliteiten zijn onmiskenbaar, de emoties echt, de humor goed en de roadtrip is er eentje waar je graag bij was geweest – behalve misschien bij het eten in het Ecohotel.